Werelderfgoed #703: Woud van Białowieża

Wat is het?
Het Woud van Białowieża is een laatste overblijfsel van een oerbos dat ooit delen van Centraal-Europa bedekte. Het oerbos kent veel dood hout, wat goed is voor de aanwezigheid van paddenstoelen en ongewervelde dieren zoals larven en wormen. Tot 1919 kwam hier nog de Europese bison (laaglandwisent)  in het wild voor – deze stierf uit maar is sinds 1929 geherintroduceerd. Het bos ligt in het grensgebied van Polen en Wit-Rusland.

Cijfer: 7 (Het is een bos, eigenlijk niet zoveel anders dan andere bossen. Wel staan er veel zeer hoge en oude bomen. En door het vele oude hout is het een paradijs voor spechten. Er wonen ook wolven, lynxen en Europese bisons, maar die tref je niet zo snel.)

Toegang: De entree tot het bison showreservaat kost 10 zloty (2,35 EUR) en mijn privé-tour door het beschermde gebied kostte 300 zloty (70 EUR).

Hoeveel tijd: Ik was er van zondagmiddag tot en met maandagochtend, in die tijd heb ik 3 delen van het gebied bezocht: het paleispark, de beschermde zone en het bison showreservaat.

Opvallend: Het is een heel eind naar het oosten rijden, tot een kilometer of 5 voor de grens met Wit-Rusland. Ik reed zeker 3 uur lang over smalle provinciale wegen, daar waar je 90 mag maar waar de Polen veel harder rijden. Af en toe passeer je ook een fietser en er was zelfs een dronken man die midden op straat liep. Daar aan het einde van Polen ligt het plaatsje Bialowieza, een verrassend toeristisch gebeuren met pensions, restaurants en souvenirwinkels.  Het is het toegangspunt tot het Woud van Bialowieza.

Op mijn eerste middag liep ik een rondje door het paleispark. Hier is een landschapstuin in Engelse stijl aangelegd. Bij veel bomen staat een bordje, waarop dan staat te lezen dat de boom niet van hier is maar aangeplant. Ondanks dat het nog midden op de dag was en erg warm (graad of 28) zag ik erg veel vogels. Het mooiste was een nest met middelste bonte spechten, waarvan de kleintjes in een holle boom langs het wandelpad huisden. Ze schreeuwden zo hard dat iedereen stil hield om te kijken wat er aan de hand was. De vader of moeder vloog af en aan met voedsel.

Bia1
Opvallende boom in het Paleispark

Om het kerngebied van het Woud van Bialowieza te bezoeken heb ik een privérondleiding geboekt naar het beschermde reservaat aan de Poolse kant, een deel dat alleen kan worden bezocht met een officiële gids. Ik ging met Arek Szymura van Pygmy Owl Nature Tours; Ik wist dat hij serieus was toen hij voorstelde om om vier uur ’s ochtends af te spreken! Net op tijd voor zonsopgang, maar het was al licht en een aangename 15 graden Celsius.

Bia2
Dauwtrappen in de velden om Bialowieza

Dus stond ik om 5 minuten voor 4 klaar voor de orthodoxe kerk van Bialowieza. Dit ligt naast het Paleispark, dat ik de dag ervoor had bezocht. Onze tour begon met een snelle doorsteek van dat park (nog een bosuil gezien), en we verlieten het weer in noordwestelijke richting. Tussen het park en het beschermde reservaat ligt een strook van ongeveer 500m aan weilanden: erg mooi en een beetje heiig in het vroege ochtendlicht. We kwamen er een paar dierenspotters tegen die hoopten hier een glimp van bizons op te vangen – ze komen soms uit het bos om te grazen. We zagen echter alleen de eerste specht van de dag (nog veel meer zouden er volgen…).

Bia3
Middelste bonte specht, aldus de gids

De beschermde zone heeft een soortgelijke houten toegangspoort als het Paleispark. Maar dit heeft een bord met UNESCO-aanduiding, altijd fijn om te zien. De toegangspoort wordt niet bewaakt, maar je kunt er alleen met een officiële gids naar binnen. Twee toeristen liepen achter ons aan, maar mijn gids stuurde ze resoluut terug.

Bia4
Toegangspoort tot de beschermde zone

Het grootste verschil tussen het park en de beschermde zone is dat het in de laatste veel donkerder is. Zeer hoge bomen strijden om een ​​beetje zonlicht, alleen de sterkste overleven het. Ook is de bosbodem bedekt met allerlei soorten planten, jonge bomen en oudere bomen die zijn ingestort. Net als het park heeft het reservaat ook een netwerk van paden, hoewel ze niet met bordjes zijn aangegeven. Een oude Russische weg doorkruist het eveneens.

De gids was steeds de paden aan het verkennen met zijn verrekijker: de grotere zoogdieren houden er ook van om op de paden te lopen, ze zijn veel gemakkelijker te bewandelen dan de dicht begroeide bosbodem. We zagen al snel een jonge vos. Even later kwamen we een vreemde combinatie tegen: nog een vos in het gezelschap van een huiskat! De kat komt uit de stad maar waagt zich graag in het bos, pogingen om hem terug te brengen hebben geen succes gehad. Ons laatste zoogdier was een eekhoorn …

Bia5
Huiskat en vos op het bospad

Zonder geluk bij de grotere zoogdieren, concentreerden we ons op de vogels en de bomen. Eigenlijk zijn de vogels gemakkelijker te zien in het paleispark. Maar we keken een tijdje bij een zwarte specht (de grootste soort)  die erop los timmerde, wat behoorlijk spectaculair was. Het bos heeft verschillende zeer oude en hoge bomen. Maar er is de afgelopen jaren ook veel omgevallen, als gevolg van sneeuwval, vuur en een zware storm.

Bia6
Gevallen boom vol zwammen

Tijdens de wandeling kwamen we nog twee officiële gidsen tegen, elk met een enkele toerist op sleeptouw. Ik denk niet dat er veel verschil is in de gidsen: ‘mijn’ gids Arek is vooral een vogelgids, hij kende de Nederlandse namen van alle vogels die we zagen. Het beste aan een gids hier is dat ze je naar binnen laten en de weg weer naar buiten weten!

Bia7
Boom onderhanden genomen door een zwarte specht

Bij het verlaten van Bialowieza reed ik nog langs het bison showreservaat, zo’n 10 kilometer buiten het plaatsje. Hier hebben ze een paar Europese bisons en andere dieren die hier in de streek voorkomen in een omheind park gezet. Ze hebben wel de ruimte en er staan dan ook waarschuwingsborden bij dat het niet zeker is dat je de dieren ook zult zien. De bisons bleken allemaal op een kluitje te staan, er was zelfs een jong bij. Ze hebben een massieve kop maar verder zijn het net koeien.

Bia8
Europese bison in het opvangcentrum

Werelderfgoed #702: Zamość

Wat is het?
Zamość in Oost-Polen is een geplande stad uit de 16de eeuw. Het was de persoonlijke creatie van legercommandant Jan Zamysky, die aan de Universiteit van het Italiaanse Padua had gestudeerd. De gebouwen laten dan ook een mix zien van Italiaanse en Centraal-Europese tradities. Het originele stadsplan en de vestingwerken uit de Renaissance zijn bewaard gebleven in deze stad die nu zo’n 60.000 inwoners telt.

Cijfer: 5,5 (Het is wel bijzonder zo’n gecultiveerde plaats te vinden in deze uithoek van Polen. En het is allemaal erg mooi gerestaureerd. Maar 130 kilometer verderop, net over de grens in Oekraïne maar langs dezelfde handelsroute, ligt het veel interessantere L’viv. waar de mix van culturen (Armeniërs, joden, Hongaren, Duitsers) meer zichtbaar is.).

Toegang: Het stadscentrum en de vestingwerken zijn gratis.

Hoeveel tijd: Ik verbleef er 1 nacht en wandelde er de volgende ochtend zo’n anderhalf uur rond.

Opvallend: Wat later dan gepland kwam ik zaterdagavond om kwart voor 8 in Zamosc aan. “Eerst even eten”, dacht ik. Het fraaie centrale plein van de stad is helemaal gevuld met terrassen – maar nergens was er meer plaats voor mij. Er was net een klassiek concert gestart op een podium, en iedereen bleef lekker zitten. Uiteindelijk belandde ik bij een soort snackbar in een zijstraat.

De volgende ochtend startte ik mijn bezichtiging van de stad met een ronde langs de stadsmuren. Langs de buitenkant welteverstaan. Het kostte me 45 minuten om een volledig rondje te lopen, er zijn goede voetpaden aangelegd met zicht op en uitleg van de vestingwerken.

Zamosc2
De gerestaureerde vestingmuren van Zamosc

Die relatief korte wandeltijd zegt ook wel iets over de omvang van de historische binnenstad van Zamosc: het is klein. Met het centrale plein heb je eigenlijk het belangrijkste wel gezien. Blikvangers daar zijn het stadhuis met een 52 meter hoge toren en de zogenaamde ‘Armeense huizen’.

Dit is een rijtje van 5 aan elkaar geschakelde kleurrijke huizen, direct naast het stadhuis. In de 17de eeuw werden ze bewoond door de notabelen van de stad. Behalve hun opvallende kleur hebben ze ook allemaal reliëfs op hun façade.

Zamosc3
Façade van een van de ‘Armeense’ huizen

Vuursteenmijnen Krzemionki

‘Krzemionki’, wat vuursteen betekent in het Pools, is de naam van te bezoeken mijnen uit de steentijd. Ze waren van 3900 tot 1600 voor Christus in gebruik. De mijnen zijn de eerste bestemming van mijn Pinkstertripje naar het verre oosten van Polen – ik rijd er in 2,5 uur heen vanaf het vliegveld van Warschau.

Het ligt in een bosrijk gebied en heeft een parkeerterrein alsof er dagelijks bussen vol toeristen komen. Deze zaterdagmiddag staan er maar een paar auto’s. Wanneer ik mijn entreekaartje koop (18 zloty/4,20 EUR), wordt er snel een Engelssprekende collega opgetrommeld. Hij vertelt me dat er net om 3 uur een tour is gestart met een gids die Pools en Duits spreekt. Ik zeg dat Duits voor mij ook goed is, en ik kan meteen aanhaken.

Krzem2
Op weg naar de eerste te bezichtigen mijn

Samen met 4 Poolse toeristen en gids Kinga lopen we het bos verder in. Onder de grond hier liggen duizenden vuursteenmijnen. Je kunt ze herkennen aan kuilen in het landschap, een beetje alsof er bommen zijn neergevallen. Eromheen liggen heuveltjes: ophopingen van steenafval dat vrij kwam bij het uitgraven van de schachten. Alles is nu overgroeid met gras en bomen dus het is niet zo heel goed te zien.

Er waren 4 typen mijnbouw hier, maar allemaal hadden ze gemeen dat ze tot zo’n 10 meter diep moesten om de aders met vuursteen te bereiken. Er zijn 2 aders ongeveer een meter boven elkaar. Ze zijn gevormd in de tijd dat er hier een groot meer was: graafgangen die dieren maakten in de bodem van het meer werden gevuld met afzettingen, die uiteindelijk stolden tot de keiharde vuursteen.

Krzem3
Mijntype waarin vanuit nissen gewerkt werd

Bij de derde mijn mogen we als bezoekers ook ondergronds. We dalen een ijzeren wenteltrap af waarna we ons bevinden in een koel gangenstelsel – wel een verademing na de benauwde buitenlucht met 28 graden. Ook in de prehistorie verbonden de mijnwerkers de verschillende kleinere mijnen met gangen. Die van nu zijn echter op maat van 20ste eeuwse bezoekers gemaakt, dus je hoeft je hoofd niet te stoten.

De vuursteen is nog volop aanwezig in de wanden van kalksteen. Het werd hier op haast industriële wijze gewonnen: de vuursteen werd naar de oppervlakte gebracht en daar bewerkt tot hamers en beitels. Deze zijn tot locaties op 600 kilometer afstand teruggevonden. De vuursteen van deze regio is makkelijk herkenbaar omdat het gestreept is, de enige plek ter wereld waar dit voorkomt.

Krzem4
Ondergronds, met de zichtbare zwarte lagen vuursteen

De ondergrondse gang is een paar honderd meter lang. We zien op een paar plekken nog de stutten die door de mijnwerkers zijn aangebracht om te zorgen dat het geheel niet zou instorten. Bijzonder is hier ook een tekening die uit de prehistorie bewaard is gebleven: hij is met houtskool in de wand gekerfd.

Krzem5
Tekening achtergelaten door de vroege mijnwerkers

Eenmaal terug bij de ingang is er nog een tentoonstelling te bezoeken. Ik vraag de weg aan de gids, waarop ze me nog een privé-rondleiding binnen geeft. Alle teksten zijn immers in het Pools en die zou ik niet kunnen lezen. Je kunt hier verschillende soorten vuursteen zie vanuit de hele wereld. Het meeste is van het kenmerkende zwart, dat is ook het enige dat ik ken van mijn vorige bezoek aan een vuursteenmijn – het werelderfgoed in Spiennes (België).

Krzemionki in Polen staat op de nominatie om dit jaar werelderfgoed te worden. Het advies was gematigd positief: er moet nog wat aan de bescherming gedaan worden, maar uiteindelijk komt het wel goed. Een bezoek is in ieder geval een leerzame ervaring.

Krzem6
Geslepen gestreepte vuursteen

Terugblik Botswana 2019

Het waren maar 2 weken, maar ik heb veel gezien en kwam ook nog eens uitgerust terug. De safari was zeker het hoogtepunt: 6 dagen weg van de wereld, de hele dag in de weer in de natuur. Langer had voor mij ook niet gehoeven: dan ga je het comfort toch wel missen en ook het continu in de safaritruck zitten zonder zelf even ergens heen te lopen gaat vervelen.

Voorbereiding

Visa
Botswana mag je zo in, maar voor Zambia en Zimbabwe is een visum nodig. Dit kun je aan de grens kopen. Voor 50 US dollar krijg je een gecombineerd ‘Kaza’ visum, waarmee je een maand lang een onbeperkt aantal keren tussen Zimbabwe en Zambia heen een weer kunt.

botsvisum
Het haastig gekrabbelde Kaza-visum

Internet en andere moderne voorzieningen
Deze reis was ik 8 dagen zonder internet en 6 dagen zonder elektriciteit en stromend water. Dat laatste miste ik op het eind misschien nog wel het meest: een douche waar je zo lang onder kunt staan als je wilt en een wc die je door kunt trekken! Om de camera tussentijds op te kunnen laden had ik een powerbank meegenomen. Je kunt ook stroom gebruiken uit de accu van de safaritruck als die rijdt, maar dat werkte voor mij niet goed.

Tour
Deze reis was een combinatie van de 6-daagse Northbound Safari (Fully Serviced) van Bush Ways Safaris en een paar lodge-overnachtingen. De laatste in Zambia boekte ik zelf, de rest + de transfers werd geregeld door Going Africa.

Vervoer

Internationale vluchten
Op de heenreis vloog ik met de dagvlucht van KLM naar Johannesburg. Ik zat op mijn favoriete eerste rij van de Economy Plus. Er zat niemand naast me, dus het was dit keer nog extra comfortabel. Na een nacht in een airporthotel (Premier OR Tambo) vloog ik de volgende ochtend door naar Maun in Botswana met SA Airlink.

botsv1
Instappen voor de vlucht naar Maun

Terug reisde ik in 3.5 uur vanuit Livingstone (Zambia) naar Nairobi met Kenya Airways. De Business Class stelt hier niet zoveel voor. Na anderhalf uur ging het vanuit Nairobi verder met KLM naar Amsterdam (7u45 min). Hier zat/lag ik in de Business Class op het bovendek. Hier heb ik redelijk geslapen en er wordt altijd een goed ontbijt geserveerd.

Binnenlands vervoer
Twee keer reisde ik met zo’n schattig ‘bush’-vliegtuigje. Er passen 6 mensen in. Meestal zie je dat ze gevlogen worden door Australische of Europese piloten, maar hier in Botswana hebben ze een hele colonne lokale jongens en meisjes opgeleid. Wel verfrissend om een Botswaanse pilote te hebben van een jaar of 25.

botsv2
Bushvliegtuigje op de Delta-landingsbaan bij Chief’s Island

Tijdens de mobiele kampeertrip reden we rond in een safaritruck. Het aantal passagiers is gemaximeerd op 8, zodat je nooit met meer dan 2 op een rij zit. Ruimte genoeg dus, en omdat we maar met 7 waren had ik de hele tijd een bank voor mij alleen. De truck had opslagruimte (voor drank) en een ijskast (voor koele drankjes) onder de banken, heel handig. Voor de bagage was er een aanhanger.

Voor mij voldeed deze truck prima en we hebben ook geen pech onderweg gehad. Hij had al wel ruim 400.000 kilometer op de teller. Bij passerende voertuigen van andere safariorganisaties zag je wel dat er tegenwoordig veel meer luxe te krijgen is: met separate stoelen, armleuningen en bekerhouders bijvoorbeeld. Maar alle tours en lodges zijn eigenlijk ook duurder dan die ik deze reis had.

botsv3
Onze safaritruck met aanhanger

Hotels

Maun Lodge (Maun, Botswana)
De Maun Lodge is een grote, motelachtige accommodatie aan de rand van Maun. Het wordt nogal chaotisch gerund (sloom bij inchecken, verkeerde wifi code meegeven, chauffeurs die transfers vergeten) en ik vond het het minste verblijf van de hele reis. Het ligt te ver van het centrum en het vliegveld om te kunnen lopen; naar het vliegveld is er wel een gratis shuttle service. Het restaurant dat er bij zit is wel goed maar ook verre van luxe.

botsh1

Website: Maun Lodge
Kosten: 155 EUR per nacht inclusief ontbijt

Oddballs’ Enclave (Chief’s Island, Botswana)
Oddballs’ Enclave is een lodge met maar 5 kamers/tenten. De tenten zijn permanent neergezet op houten platformen. Binnen staat een ‘gewoon’ bed en is er een lichtknopje. De badkamer is een paar meter verderop over een vlonderpad, half open met zicht op de natuur. Er is een gewone WC en een emmerdouche, de douche kun je zelf vullen met warm en koud water uit de kraan.

botsh2a
Mijn tent/huisje op palen in de Oddballs’ Enclave

Iedereen heeft hier een eigen gids, die je hele verblijf activiteiten met je onderneemt en mee-eet met de lunch. Ik was er de enige gast, dus ik zat telkens met de manager en de gids aan tafel. Het eten is standaard 3 gangen en erg goed.

botsh2b
Het comfortabele bed in de tent

Ilala Lodge (Victoria Falls, Zimbabwe)
Echte internationale luxe vind je in de Ilala Lodge. Of misschien voelde dat wel vooral zo na 6 dagen kamperen! Ik had er een ruime kamer met een balkon. De wifi deed het trouwens alleen goed bij de receptie. Het restaurant hier is uitstekend (tegen Europese prijzen). In de tuin komen overdag wilde dieren binnen wandelen. En je bent in 963 stappen bij de Victoriawatervallen, dat is ook handig.

botsh4

Website: Ilala Lodge
Kosten: ca. 350 EUR per nacht inclusief ontbijt

Zigzag Town Lodge (Livingstone, Zambia)
De Zigzag Town Lodge is van een heel andere orde: ik betaalde hier maar 40 EUR per nacht, maar het is een fijne plek. De kamer is wat klein, maar het bed is goed en voorzien van een muskietennet (Livingstone was ook de enige plek op deze reis dat ik dat nodig had). De douche is prima en warm. Internet doet het het beste in en om het café-restaurant dat bij de lodge hoort. Hier kun je ook prima lunchen.

botsh5a
Ik woonde in appartement nummer 5

botsh5b

Website: ZigZag Town Lodge
Kosten: 40 EUR per nacht inclusief ontbijt

Kamperen

Gedurende 6 nachten sliep ik in een tent van 3×3 meter. Hij werd om de 2 dagen afgebroken en weer opgezet door het personeel van Bush Ways Safaris. In de tent stond een veldbed klaar met kussen, laken en dekens. De tent kun / moet je volledig afsluiten, zo komen er geen beestjes binnen.

botsh3a
Mijn tent
botsh3b
Mijn bed

Achter de tent was een soort badkamer gecreëerd, met een emmerdouche, een wc boven een uitgegraven gat en (!) een waslijn. ’s Ochtend kreeg je een kan warm water om je te kunnen wassen, ’s middags werd de emmer voor de douche gevuld. Op zich voldeed het allemaal wel, maar je moet de badkamer vooral in het donker gebruiken. Dus een goede zaklantaarn (die je liefst ook op kunt hangen) is nodig.

botsh3c
Mijn WC

Eten

Ontbijt
Het ontbijt was telkens misschien wel het beste maal van de dag. Je moet wel een beetje moeite doen om het Full English Breakfast te vermijden, maar bijna overal hadden ze ook wel brood, kaas, fruitsalade, müesli, pannenkoeken, ei en koffie.

botse1
Ontbijt tijdens de safari

Lunch
Tijdens de safari bestond de lunch uit brood met beleg en/of salade. De paar keer dat ik zelf ergens geluncht heb nam ik meestal een sandwich met salade of patat.

botse2
Lunch in Livingstone

Diner 
In tegenstelling tot Zuid-Afrika en Namibië eten ze in Botswana niet veel ‘wild’. De buurlanden kennen grote boerderijen waar dieren die je in het wild ziet ook gefokt worden voor hun vlees. In Botswana kom je meestal niet veel verder dan kip. Pas in het luxe restaurant van de Ilala Lodge in Zimbabwe kreeg ik weer een menu met keuze uit krokodil, kudu en struisvogel. Daar at ik ook het beste van de hele reis.

botse3
Diner bij het kampvuur tijdens de safari

Kosten

Botswana is erg duur, en dat vertaalt zich niet automatisch naar luxe. Voor mijn reissom van ca. 315 EUR per dag zat ik echt aan de onderkant van de middenklasse. Ik vond wat je voor je geld krijgt in buurland Namibië, hoewel op zich ook vrij duur, een stuk beter.

Het grootste deel van deze reis had ik vooraf al betaald. Ik heb een keer gepind in Botswana en een keer in Zambia, om lokaal geld te krijgen voor fooien en een enkele lunch. In Zimbabwe kun je alleen met dollars of een creditcard betalen. Ik had 300 USD bij me voor de hele reis en die heb ik ook opgemaakt (o.a. ook aan het Kaza visum).

bot0028r
Botswaanse Pula

Zoogdieren van Botswana

Dit was natuurlijk in de eerste plaats een natuurreis, en ik heb geprobeerd mijn Zoogdierenlijst aan te vullen met soorten die te zien zijn in Botswana (plus Zimbabwe & Zambia).

De gemiste diersoorten

Vooraf had ik een kort verlanglijstje van maar 2 zoogdiersoorten die ik erg graag wou tegenkomen in Botswana:

  1. De wilde hond
  2. De grootoorvos

Nou, beiden zijn niet gelukt. De wilde honden hebben we 2x op een haar na gemist in Chobe Nationaal Park. De grootoorvos is meestal ’s nachts actief. Op deze reis was het Savuti-moeras (tegenwoordig feitelijk één grote steppe) het meest geschikt, maar juist daar waren we erg ongelukkig in het zoogdieren spotten. Zelfs de hyena, die ik toch op andere safari-achtige reizen regelmatig heb gezien, zagen we hier niet.

Gezien maar geen ‘bewijs’

Al tijdens de eerste wandeling in de Okavango Delta werden we door een passant op het spoor gezet van een serval. Hij liep door het hoge gras bij de Delta-landingsbaan voor de vliegtuigjes. Ik zag maar een glimp.

Daarnaast zag ik in dezelfde omgeving tijdens de vanwege olifanten doorwaakte nacht 2 katachtigen langs mijn tent lopen tussen olifant 1 en olifant 2. Op basis van mijn beschrijving dacht de gids dat het civetkatten waren.

Bovidae (Holhoornigen)

Niet minder dan 5 ‘nieuwe’ soorten in deze grote familie van antilopen, schapen en geiten zag ik:

botsbosbok
De Bosbok – pas goed gefotografeerd tijdens de Zambezi-cruise in Zimbabwe. Er rende er ook al eerder eentje langs mijn half-open badkamer in Odballs’ Enclave in de Okavango Delta. Ook op eerdere reizen had ik deze antilope met kenmerkende witte stippen wel eens eerder gezien, maar blijkbaar nog nooit op een goede foto vastgelegd.
botslitschiewaterbok
De Litschiewaterbok is een zeer kenmerkende soort voor de normaal gesproken natte ondergrond van de Okavango-delta. Frequent gezien in zowel Moremi als Chobe.
botspuku
Ook de Puku is een typische antilope die goed met waterrijke gebieden om kan gaan. Alleen gezien tijdens de bootcruise over de Chobe-rivier.
botsroanantilope
De grote Roanantilope zagen we in Moremi. Hij houdt van bosrijke gebieden en is in Botswana alleen in het uiterste noorden te vinden. In de rest van Afrika, met name in de strook van Senegal tot Ethiopië, komt hij ook voor.
botslierantilope
De Lierantilope (of: Tsessebe) houdt van grasvlaktes en savannes. Hij komt in verschillende delen van Afrika voor en staat elders ook wel bekend als de Topi. In Botswana zagen we hem het meest op de droge vlakte van het Savuti-moeras.

Cercopithecidae (Apen van de Oude Wereld)

Botswana is geen goede plek om apen te zien. Ze kennen eigenlijk maar 2 soorten: vervetapen en de beerbaviaan. Deze laatste had ik ook in Zuid-Afrika wel eens gezien. Maar blijkbaar nog niet aan mijn zoogdierenfotocollectie toegevoegd, dus bij deze:

botsbeerbaviaan
De Beerbaviaan is één van de grootste apensoorten. Je ziet ze in Botswana ‘overal’ (zowel in de bush als in de door mensen bewoonde wereld).

Herpestidae (Mangoesten)

Tot dusver was ik nooit erg gelukkig in het vinden van leden van de familie van de Mangoesten. Eén groepje stokstaartjes in Namibië en een glimp van een groep zebramangoesten op een parkeerplaats in St. Lucia (Zuid-Afrika), daar moest ik het mee doen. In Botswana komen ze echter veelvuldig voor, vooral in Chobe Riverfront waar alledrie onderstaande foto’s gemaakt zijn.

botszebramangoeste
De Zebramangoeste: vaak actief in grote groepen, moeilijk te fotograferen omdat ze zo beweeglijk zijn.
botsslankemangoeste
De Slanke Mangoeste, te herkennen aan zijn langgerekte lichaam met korte pootjes.
botsdwergmangoest
De Dwergmangoest, kleiner dan zijn soortgenoten.

Mustelidae (Marterachtigen)

Tot de familie van de marterachtigen horen otters, dassen en dasachtigen, marters en wezels. Dit zijn in hoofdzaak nachtdieren, dus notoir lastig te zien. Toch kon ik deze reis een befaamde marterachtige aan mijn lijst toevoegen: de Honingdas.

botshoningdas
Honingdassen scharrelden veelvuldig rond over de grasvlaktes van alle bezochte parken in Botswana. ’s Nachts kwamen ze ook graag bij onze safaritruck, met name bij dat deel waarin het voedsel bewaard werd. Ze op de foto krijgen is een stuk moeilijker, ze zijn snel en beweeglijk. Hier is in ieder geval hun kenmerkende wit/grijze rug en zwarte kop te herkennen.

Procaviidae (Klipdassen)

Op mijn laatste dag bij de Victoriawatervallen trof ik een familie van 5 klipdassen aan in de zon op een rots. Er bestaan 4 soorten klipdassen: de Kaapse klipdas had ik in Zuid-Afrika al eens gezien en gefotografeerd. Deze komt echter niet in het grensgebied van Botswana/Zimbabwe/Zambia voor, dus deze hier in Zambia moeten haast wel een andere soort geweest zijn.

botssteppeklipdas
Deze Steppeklipdas zag ik samen met zijn/haar partner en 3 jongen langs het zgn. Fotografie-wandelpad aan de Zambiaanse kant van de Victoriawatervallen.

Viverridae (Civetkatachtigen)

Tot slot het meest bijzondere ‘nieuwe’ zoogdier dat ik op deze reis zag: de Genetkat.

botsgenet
Onderweg van Savuti naar Chobe Riverfront, langs de doorgaande weg en bij een gangetje van 50 kilometer per uur spotte onze chauffeur/gids deze Genetkat. Het is normaal een echt nachtdier, maar we zagen hem rond lunchtijd met de ogen wijd open.

Livingstone

Het Zambiaanse grensplaatsje Livingstone (14.000 inwoners) is vernoemd naar de Schotse zendeling & ontdekkingsreiziger David Livingstone. Hij was het die als eerste Europeaan in 1855 de Victoriawatervallen ontdekte. In het lokale museum kun je nog wat spullen van hem terug zien: een bijbel, brieven, een bagagekist.

De watervallen heb ik inmiddels wel van alle kanten bekeken, dus ik besluit op de allerlaatste ochtend van mijn reis een fietstour te doen door het andere Livingstone. Een gids van Local Cowboys Cycle Tours komt me om 8 uur ophalen.

Livingstone3
Op weg met de gids – de zandpaden op

Vanaf mijn overnachtingsplek, de ZigZag Town Lodge, steken we de grote weg over en start het fietsen over het zand – behalve de hoofdweg is er niets verhard. We moeten al snel weer van de fiets af omdat we een hele lange houten brug over het spoor moeten oversteken. De ontwikkeling van Livingstone heeft veel te maken gehad met de spoorwegen: via de brug langs de watervallen naar Zimbabwe werden hout en grondstoffen door de Britse koloniën vervoerd.

Er rijden nog steeds treinen – het meest goederentreinen en 2x per week een heel langzame passagierstrein naar de Zambiaanse hoofdstad Lusaka. Treinen naar Zimbabwe rijden er niet meer.

De eerste buitenwijk van Livingstone waar we doorheen rijden is door de Britten opgezet als woonwijk voor spoorwegarbeiders. Het zijn stenen vrijstaande huizen met een eigen tuin. Ze hebben stromend water en elektriciteit.

Livingstone4
Het wordt al snel landelijk buiten het centrum van Livingstone. De gids wil dat we afstappen bij dit stenen bruggetje: hij heeft hier eens een stel halfdronken Nederlanders rondgeleid, waarvan er eentje hier van de fiets in het riviertje gevallen is.

We fietsen door tussen de akkertjes naar een minder bedeeld dorp. Er is hier ook weinig regen gevallen de afgelopen maanden en het meeste staat er triest bij. Alleen degenen met toegang tot stromend water kunnen hun land besproeien. Het dorp heeft ook een kleine eigen markt, waar de dorpsbewoners hun eigen gewassen verkopen.

Livingstone5
Dorpsmarkt, met o.a. houtskool te koop

Hier in het dorp wonen is een stuk goedkoper dan in een buitenwijk van de stad: je hebt geen water- en elektriciteitsrekening als je dat niet wilt, en je kunt je huisje na goedkeuring van het dorpshoofd bouwen waar je wilt zonder land te hoeven kopen. Veel huizen zijn van hout en leem, maar we zien ook stenen huizen die nog in opbouw zijn.

Livingstone6
Huis van hout en leem, met een dak van golfplaat tegen de regen

Naar school gaat in dit dorp bijna niemand. Er zijn twee beroepen: boer of arbeider in de steengroeve. We zien ook veel mensen brandhout uit het nationaal park halen, of tot houtskool verwerken dat ze dan weer te koop aanbieden.

Aan de rand van het dorp ligt die steengroeve. Het doet vermoeden dat het een soort fabriekje is, maar niets is minder waar. Een stuk of 10 mensen zijn bezig stenen uit de grond te hakken, en die dan weer verder in kleinere stukjes op te splitsen. De steentjes die zo ontstaan worden gebruikt voor de verkoop aan degenen die een stenen huis willen bouwen.

Livingstone7
Het resultaat van een paar uur stenen hakken

Daarna volgt een flink stuk fietsen. Soms door het mulle zand. Gelukkig is het nog niet al te warm. We komen langs een prachtige lagune die helemaal vol zit met waterlelies. In de buitenwijk van Livingstone die daarbij hoort heeft de fietsorganisatie een lagere school gebouwd. Een deel van de 25 US dollar die je betaalt voor de tour wordt hieraan besteed.

Er zitten ruim 200 kinderen op de school, van 4 tot 14 jaar. De gebouwen zien er prima uit (ze zijn nog maar een paar jaar oud). De kinderen krijgen ook dagelijks een lunch op school en zitten er de hele dag. We kijken even binnen bij de kleintjes.

Livingstone8
De gecombineerde klassen van de kleintjes op de Local Cowboys school

Onze laatste stop is bij de grote dagelijkse markt van Dambwa. Je kunt er tweedehandskleding kopen, huishoudelijke artikelen en natuurlijk ook groente en vlees/vis. Tomaten doen het blijkbaar goed hier: voor verschillende groottes betaal je verschillende prijzen. Een pond tomaten kost zo’n 5 kwacha (0,35 EUR). Verder zijn er veel soorten bladeren die als spinazie worden gekookt.

We gaan trouwens niet het vlees/vis deel van de markt op – de gids is vegetariër en ik geloof dat hij het daarom mijdt. Het meest exotische voedsel dat ik zo zie zijn gedroogde rupsen.

Livingstone9
Rupsen te koop op de markt van Dambwa

Een specialiteit op de markt is ook het aanbod van pindakaas. Bij een paar stalletjes doorlopen ze vanaf de rauwe pinda’s het hele proces tot er (pure) pindakaas in potjes belandt. Je ruikt het meteen als je er in de buurt bent.

Livingstone10
De pindakaasmachine

Na 3,5 uur komen we weer zonder kleerscheuren en zonder lekke banden aan bij ons vertrekpunt.

Werelderfgoed #701: Victoriawatervallen

Wat is het?
De Victoriawatervallen vormen het grootste ‘gordijn’ aan vallend water in de wereld. De Zambezi rivier stort zich hier met veel lawaai 99 meter naar beneden in een kloof. De watervallen strekken zich uit over een breedte van 1,7 kilometer. De opspattende spray van het water heeft gezorgd voor het ontstaan van een klein regenwoud om de watervallen heen. De Victoria watervallen liggen op de grens tussen Zimbabwe en Zambia.

Cijfer: 8 (Vooral de oerkracht – het geluid en de hoog oprijzende mist – die de watervallen produceren is indrukwekkend. Je ziet de mist van kilometers veraf overal boven uit stijgen, en zelfs vanuit het vliegtuig herken je het meteen alsof er een aantal geisers permanent aan het uitbarsten zijn.)

Toegang: De entree aan de Zimbabwaanse kant kost 30 US dollar. Aan de Zambiaanse kant betaal je 20 US dollar.

Hoeveel tijd: Ik was aan beide kanten zo’n 2 tot 2,5 uur.

Opvallend:  Voordat ik de watervallen zelf bezocht maakte ik al kennis met het geluid en de rookpluimen die het produceert. Bij de Ilala Lodge in Victoria Falls (Zimbabwe) hoor je een continu lawaai alsof het naast een vliegveld ligt – het zijn de watervallen een paar honderd meter verderop. En de mistpluimen zie je overal bovenuit alsof er een bosbrand is.

Mijn ‘officiële’ bezoek begon aan de Zimbabwaanse kant. Ik liep er in minder dan 10 minuten naar toe, zo dicht liggen ze bij het plaatsje Victoria Falls. Ik was er om 8 uur in de ochtend en er waren vrijwel geen andere toeristen. Aan deze Zimbabwaanse kant loop je een pad af met 19 uitkijkpunten. Het grootste deel van de watervallen ligt ook in Zimbabwe. Je loopt een stukje, dan sla je af naar een uitkijkpunt, en dan loop je weer verder over hetzelfde pad.

Victoria2
Wandelpad door het regenwoud aan de Zimbabwaanse kant

Door de grote hoeveelheid water is vooral van het middelste gedeelte weinig te zien door de dichte opspattende mist. De beste foto’s maak je van de zijkant, bij punt 2. Bij punt 12 wordt het echt nat: ik heb een regencape bij me (je kunt ze ook bij de ingang huren), die is wel nodig omdat je in feite door een fikse regenbui loopt.

Victoria3
Je hebt steeds maar zicht op een deel van de watervallen

De dag erna deed ik een ‘ontbijtcruise’ over de Zambezi. Niet voor het eerst deze reis was ik de enige passagier. Er is dit jaar ook hier weinig regen gevallen en de Zambezi is – hoewel nog steeds erg breed – niet bepaald een kolkende rivier. We glijden rustig wat rond. We komen tot ca. 2 kilometer van de watervallen. De gids stelt dat ook al zou de motor van de boot het begeven, we niet van de watervallen af zouden vallen: de laatste paar honderd meter liggen zo vol rotsen dat het niet meer bevaarbaar is.

Victoria4
De Zambezi-rivier, met op de achtergrond de ‘rookpluimen’ van de watervallen

We zien veel nijlpaarden in het water en dat roept natuurlijk de vraag op of die wel eens over de rand vallen. Het antwoord is Ja… het zijn geen zwemmers maar wandelaars over de rivierbodem, en als het water dan eens te hoog staat dan gaat het mis. Vorig jaar, toen het water wel erg hoog stond, zijn er zelfs 5 olifanten naar beneden gekomen. Meestal kunnen die van eiland naar eiland door het water lopen, maar die keer zijn ze gegrepen door de stroming.

Een derde blik op de watervallen kreeg ik toen ik van Zimbabwe naar Zambia verkaste. Ik besloot over de grens te lopen – eerst een minuut of 10 naar de Zimbabwaanse grenspost. En dan nog een kilometer of 2 naar de grenspost aan de andere kant. Ondertussen loop je over de Victoria Falls-brug, gemaakt in 1905 als spoorbrug. Vanaf het midden van de brug kun je bungeejumpen. Je hebt hier eigenlijk ook het beste zicht op de hele breedte van de watervallen.

Tot slot bezocht ik weer een dag later ook nog de Zambiaanse kant van de watervallen. Het maakt een wat minder georganiseerde indruk dan de Zimbabwaanse. Er zijn verschillende wandelpaden die je af kunt lopen. Ik ben er weer tegen 8 uur en nu vallen vooral de scherpe regenbogen op.

Victoria5
De Zambezi-rivier van de Zambiaanse kant gezien, net voor de waterval

Een nat pak kun je ook hier halen: de 40 meter lange Knife Edge Bridge ligt vandaag volledig in het opspattende water.

Victoria6
Iedereen in regenkleding op de Knife Edge Bridge

Ik loop ook nog een ander wandelpad af, het zogenaamde Fotografie-pad. Dit loopt langs de rand van het beschermde gebied, met vergezichten op vooral de Victoria Falls-brug en de diepe kloven in het landschap. Ergens tref ik daar een familie van klipdassen die zich in de ochtendzon zit op te warmen. Het pad loopt helemaal door langs de grensovergang (er zit wel een hek tussen, dus je kunt zo het land niet uit).

Victoria7
Steppeklipdassen