Programma Rusland 2019

Het visum is geregeld en de treinkaartjes zijn gekocht: begin september vertrek ik naar Moskou voor een ruim 5000 kilometer lange treinreis van 2 weken dwars door de Russische Federatie inclusief de autonome republieken Tatarije en Boerjatië.

route

De route heb ik zelf samengesteld door de meest interessante steden op dit traject en 6 werelderfgoederen met elkaar te verbinden. Het programma op hoofdlijnen is:

Datum Programma Verblijf
7 sept Vlucht Amsterdam – Moskou 13.15-17.45 met Aeroflot. Het is er 1 uur later dan in Nederland. Per metro naar het hotel in de binnenstad. Art Hotel Che, Moskou
8 sept Bezoek aan Kolomenskoje (WE1), met de 16de eeuwse Hemelvaartskerk en een park in het noorden van Moskou. Later op de dag nog even langs het Kremlin & het Rode Plein. Moskou
9 sept Dagtocht per trein naar Sergiev Prosad voor Triniti Sergius Lavra (WE2), ruim een uur buiten Moskou. Dit is het belangrijkste kloostercomplex van de Russisch-Orthodoxe Kerk. Daarna om 20.50 met de trein naar Kazan Trein
10 sept Aankomst in Kazan om 8.00. Bezoek aan het Kazan Kremlin (WE3), het grootste historische fort van de autonome republiek Tatarstan. Courtyard by Marriott, Kazan
11 sept Dagtocht per boot (?) naar Bolgar (WE4), de resten van de hoofdstad van de Middeleeuwse staat Wolga-Bulgarije. Kazan
12 sept Nog een dagtocht, per veerboot, naar Hemelvaartkathedraal en -klooster van het dorpseiland Svijasjk (WE5) Kazan
13 sept Nog een reservedag in Kazan. ’s Avonds door met de trein naar Jekaterinburg (14 uur: 20.08-12.53). Trein
14 sept Na aankomst bezoek aan de Kathedraal op het Bloed en stadswandeling. Marins Park Hotel, Jekaterinburg
15 sept Excursie van 3 uur naar Ganina Yama, een Russisch-orthodox klooster, dat werd gebouwd op de plek waar de vermoorde tsaar Nicolaas II en zijn familie werden gedumpt in een oude mijnschacht. Jekaterinburg
16 sept Om 3.32 uur in de nacht vertrek voor de treinrit van zo’n 50 uur door Siberië. Trein
17 sept In de trein. Trein
18 sept Aankomst 7.40 in Irkoetsk. Eerste kennismaking met het Baikalmeer via een korte boottour. Hotel Victoria, Irkoetsk
19 sept Dagexcursie naar het Baikalmeer (WE6). Irkoetsk
20 sept Hele dag in de stad Irkoetsk, met zijn historische houten huizen. Irkoetsk
21 sept Terugvlucht Irkutsk – Amsterdam 13.00-22.35, met Aeroflot via Moskou. Thuis

Stenen Fort van Staigue

Staigue Fort is een vroeg-middeleeuwse nederzetting omringd door een stapelmuur: op elkaar gestapelde stenen zonder gebruik van cement of mortel. Het maakt deel uit van de Westelijke Steenforten, een mogelijk toekomstige Ierse werelderfgoednominatie. Staigue ligt langs de toeristische route die bekend staat als de Ring van Kerry. Het ligt aan het einde van een smalle landweg omzoomd door de voor Ierland (en Engeland) zo kenmerkende hagen. Gelukkig was ik er vroeg, zodat ik met mijn grote gehuurde Mercedes niet een veilig heenkomen hoefde te zoeken voor tegenliggers.

Het fort ligt op een mooie locatie, geplakt tegen een heuvel en van ver te zien vanwege zijn enorme omvang. Er waren twee andere auto’s van toeristen op de parkeerplaats toen ik aankwam, plus een herder en zijn twee honden. Bij het toegangshek hangt een bordje met het verzoek om een munt van 1 EUR in een bakje te stoppen als heffing om het land te mogen betreden. Er is verder niemand aanwezig die dit afdwingt. Het verzoek doet vermoeden dat de grond in particulier bezit is.

Volgens datzelfde bordje moeten honden aan de lijn – maar de twee schaapshonden trokken zich daar niks van aan.

Wanneer en waarom dit en de andere soortgelijke forten in Ierland gebouwd zijn is allemaal erg onduidelijk. Op het bordje bij de ingang staat “in de eerste eeuwen na Christus” en dat het het “huis van een zeer rijke landeigenaar of hoofdman die grote behoefte had aan veiligheid” zou zijn. Wat nu nog rest is alleen de ringmuur, de mensen woonden in hutten op het binnenterrein. Die hutten zijn allang vergaan.

De constructie van de stapelmuur in een cirkelvorm is desondanks imposant en in uitstekende staat. De muren reiken tot 5,5 meter hoogte en het complex is 27 meter groot in diameter. Op een aantal plekken aan de binnenkant zijn gelijkmatige trappen aangebracht, die ook nu nog prima het gewicht van mensen houden. Hierdoor kun je bovenop de muur klimmen. Waarom ze al die trappen hebben gebouwd is ook onbekend, maar het maakt het wel gemakkelijker om de nederzetting aan alle kanten tegen indringers te beschermen.

De Skellig-ring

De Skellig-ring is een kustroute in het zuidwesten van Ierland. Hij is genoemd naar de twee Skellig-eilanden, waarvan de grootste het werelderfgoed is dat dit weekend buiten mijn bereik ligt. Je kunt er echter wel van een afstandje naar kijken: vanaf de Kerry-kliffen kun je ze goed zien liggen, hoewel het nog zo’n 10 kilometer varen is om ze echt aan te kunnen raken.

De Kerry-kliffen zijn tot 300 meter hoge rotswanden die grenzen aan de Atlantische Oceaan. Door hun hoogte kun je ver over de zee kijken. Het toerisme voor de Skellig-eilanden heeft hier al zo’n vlucht genomen dat je zelfs entree tot deze rotswanden moet betalen. 4 EUR – ook voor het parkeren zegt het mannetje achter het loket. Je loopt dan zelf gewoon een paar honderd meter over een pad naar de met hekken afgeschermde rotswanden.

Het waait heel erg vandaag en de zee kolkt. Het is niet gek dat de boten naar de eilanden vandaag niet varen. Met mijn zoomlens en een beetje nabewerking krijg ik Skellig Michael in ieder geval goed op de foto:

Het is een cultureel werelderfgoed, een vroege kloostergemeenschap. De resten van het klooster en de monnikscellen zijn vanaf deze kant niet te zien, wel het pad dat er vanaf de aanlegplaats naar toe loopt.

Het waait intussen zo hard bij het uitkijkpunt dat ik niet meer naar het hoogste punt klim – het lijkt wel of ik word weggeblazen door de wind die onder mijn regenjack komt. Ik stap dus maar weer in de auto en rijd de route verder af. Deze gaat eerst over een bergpas, niet heel hoog maar wel een heel smalle weg zodat je af en toe halt moet houden voor een tegenligger. Bovenop de pas heb je dan wel weer een mooi uitzicht:

Eenmaal weer terug op zeeniveau aan de andere kant stop ik in Ballinskelligs. Hier is een groot strand, populair bij surfers. Er zijn zelfs mensen aan het zwemmen. Ik loop een eind over het strand richting de ruïnes van een toren. Deze dateert uit de 16de eeuw en werd gebouwd om de baai te bewaken tegen piraten en om tol te heffen.

Over een keurig aangelegd wandelpad loop ik vanaf de kust nog wat verder, naar de ruïnes van een klooster.

De autorit gaat dan verder naar het plaatsje Waterville. Ook dit ligt pal aan de kust. Het heeft een lange boulevard die ik een keer op en neer wandel. Ik pauzeer halverwege even in een cafeetje voor koffie met cake. Op de terugweg loop ik langs ongeveer het enige waar Waterville bekend om is: zijn standbeeld van Charlie Chaplin. Nee, hij werd hier niet geboren. Maar hij bracht er in de jaren zestig menige vakantie door met zijn gezin.

Naast het standbeeld van Chaplin staat trouwens een even groot beeld van een Ierse voetballer. Waterville blijkt verder een populaire stop voor de vele tourbussen die deze streek aandoen. Ze kunnen echter niet over dezelfde smalle wegen rijden als ik met mijn auto.

Na Waterville is het oostelijkste deel van de route bereikt. Ik rijd via een andere weg terug naar Portmagee, alwaar ik vlak vóór mijn Bed&Breakfast de brug oversteek naar het eiland Valentia. Dit heeft de eer de westelijkste bewoonde plek van Europa te zijn. Er wonen zo’n 650 mensen en het is er niet echt veel anders dan aan de andere kant van de brug.

Valentia was het oostelijke eindpunt van de eerste Trans-Atlantische telegraafkabel, die gelegd werd in 1857. De kabel liep over de bodem van de Atlantische Oceaan tot aan de plaats Heart’s Content in Canada. Beide plaatsen bereiden een gezamenlijke werelderfgoednominatie voor, maar dat zal niet veel eerder zijn dan in 2022.

Er is nog een lange weg te gaan voor Valentia: het gebouw waarin het kabelstation gevestigd was, moet nog volledig gerenoveerd worden. Je kunt er nu ook niet naar binnen. Aan de overkant van de straat, aan de kust, hebben ze een monumentje gemaakt ter ere van de eerste succesvolle connectie tussen Europa en Noord-Amerika.

Valentia stelt verder niet veel voor. Ik rijd terug naar Portmagee (ook maar 1 straat trouwens), want daar weet ik een leuk lunchrestaurantje. Ik neem er chowder – een verdikte soep met stukjes vis en schaaldieren.

Rots van Cashel

Slechts 3 weken na de mislukking van St. Kilda ging ik op weg naar een ander werelderfgoed-eiland in de Atlantische Oceaan: Skellig Michael. Maanden eerder al had ik een tour geboekt voor zaterdag 17 augustus, maar op de vrijdagochtend van mijn vertrek uit Nederland was het duidelijk dat boten niet zouden varen op vrijdag, zaterdag of zondag vanwege de ruwe zee. Dus probeerde ik er maar het beste van te maken en me te richten op de Ierse lijst met Toekomstig werelderfgoed. Het land heeft tot nu toe maar 2 ‘echte’ werelderfgoederen. En hoewel het niet echt bezaaid is met hoogtepunten, moet er toch nog wat meer potentieel zijn. Mijn eerste stop was in de stad Cashel, waar ik een bezoek bracht aan één van de Koninklijke Plaatsen van Ierland – ook bekend als de Rots van Cashel.

De ‘Koninklijke Plaatsen van Ierland’ bestaat uit 5 locaties, meest in de omgeving van Dublin. Cashel ligt echter ongeveer een uur ten noorden van Cork, waar ik rechtstreeks naartoe was gevlogen vanaf Schiphol. Dit waren heilige plaatsen en locaties voor koninklijke inhuldigingen van de middeleeuwse koningen van de Ierse provincies. Cashel had die eer voor de koningen van Munster. Net als de andere 4 is het “sterk verbonden met mythes en legendes en wordt het geassocieerd met de transformatie van Ierland van heidendom naar christendom en Saint Patrick”: Cashel is naar verluidt de plek waar de koning van Munster door St. Patrick (de heilige Patricius) in de 5e eeuw is bekeerd.

De historische overblijfselen van Cashel liggen op een prominente rots, net boven de moderne stad met dezelfde naam. Het beste uitzicht op het geheel krijg je echter vanaf de andere kant, vanaf de weg die de stad uit leidt naar het platteland. Ik reed die route per ongeluk twee keer terwijl ik op zoek was naar een parkeerplaats. Er is een groot parkeerterrein aan de voet van de Rots, maar op de een of andere manier miste ik de ingang vanuit het stadscentrum. Dus eindigde ik in de straten in de buitenwijken van de stad. Parkeren kost 2 EUR (alleen munten) voor een beperkte 2 uur. Die 2 uur bleken net genoeg te zijn: ik lunchte in een van de cafés en wandelde ongeveer 1,5 uur rond op de Rots.

De Rots van Cashel is een enorm populaire toeristische attractie. Toen ik rond 12.30 uur aankwam, moest ik zelfs even in de rij staan ​​om mijn ticket te krijgen. De toegangsprijs is 11 EUR en dat is inclusief een rondleiding door de kapel van Cormac. Deze vroeg-12e-eeuwse Hiberno-Romaanse koninklijke kapel is pas vorig jaar heropend na een 9-jarige lange restauratieperiode. In die periode was hij geheel bedekt en in de steigers. Tegenwoordig ziet het er zo geweldig uit dat het het nieuwste gebouw op de Rots lijkt te zijn – maar het is het op één na oudste.

Zo’n 50 mensen waren er met mij op de tour door de kapel, dus het was enorm druk, maar de gids slaagde erin om zichzelf verstaanbaar te maken. We kregen eerst 10-15 minuten basisgeschiedenis en architectuurles buiten, voordat we de deuren van de kerk binnengingen. Het verhaal van de restauratie is echt opmerkelijk: dit is de enige constructie op de Rots die is gemaakt van de duurdere maar ook meer poreuze kalksteen. Dus de restauratie begon met alles af te dekken en een paar jaar te laten drogen!

Het interieur van de kapel geeft je het gevoel dat je in Spanje of Italië bent. Hoewel het binnen leeg is, zijn de gebeeldhouwde muurdecoraties er nog steeds – dit zijn versierde pilaren en gebeeldhouwde ‘hoofden’ van mensen en andere wezens. Deze koppen steken uit de muren en verkeren in een uitstekende staat. Aan de achterkant kun je de originele deuropening zien, met een gravure van een centaur die een leeuw met pijlen aanvalt. Het gebied rond het altaar was vroeger volledig bedekt met religieuze muurschilderingen, maar deze hebben de tand des tijds niet goed overleefd.

De rest van de top van de heuvel is ook de moeite waard om te bezoeken. Het omvat de ruïnes van de grote kathedraal en vele stenen kruisen, allemaal verspreid over een grasvlakte met uitzicht op het klassieke groene Ierse platteland.

Gasthuis Onze-Lieve-Vrouw met de Roos

Het ‘Gasthuis Onze-Lieve-Vrouw met de Roos’ is eerder dit jaar toegevoegd aan de lijst van mogelijk toekomstige werelderfgoederen van België. Het ziekenhuis van middeleeuwse oorsprong bevindt zich in het Waalse stadje Lessines. Ik bezocht het op een stormachtige zaterdag als een dagtocht met de auto vanuit mijn huis. Het mag dan niet zo’n bekende plek zijn (ik had er voor dit jaar nog nooit van gehoord), maar in deze regio onder Brussel is het wel een grote attractie. Al langs de snelweg staan er grote borden die naar het Gasthuis verwijzen.

Het gebouw is alleen ’s middags geopend, van 14-18.30 uur. Ik ben er tegen openingstijd en dan is het er al redelijk druk. Er is ook een restaurantje met terras bij dat al eerder open gaat. Toegang tot de gebouwen, het museum en de tuinen kost 13 EUR. Ze spreken er Engels, Frans en Nederlands en in die talen zijn ook alle opschriften.

Het ziekenhuis van Onze-Lieve-Vrouw met de Roos werd in de 13e eeuw gesticht als een charitatieve instelling om de daklozen en armen van de stad van ziekenzorg te voorzien. Het was een compleet autarkisch systeem: het had zijn eigen tuinen, was een grote regionale landeigenaar en verkocht handwerksproducten gemaakt door de bewoners. Het ziekenhuis werd gerund door nonnen en had een sterke religieuze benadering. De meeste gebouwen die je nu kunt bezoeken zijn herbouwd in de 16de en 17de eeuw.

Na betaling van de entreeprijs kun je het grote complex op eigen gelegenheid verkennen – daarvoor krijg je een audiogids mee. Het komt wat chaotisch over: er lijkt geen duidelijke route te zijn, of misschien nam ik al vroeg een verkeerde afslag. De audiogids helpt ook niet: die vertelt geen coherent of chronologisch verhaal, maar licht enkel individuele elementen en geschiedenissen toe. Dus ik loop maar van kamer tot kamer, en dat zijn er veel. Het ziekenhuis is rijk geworden van de landerijen en ook van de bruidsschatten die de nonnen bij hun intrede meebrachten. Er is veel kunst en oud meubilair te zie, maar niets daarvan sprak me echt aan.

Eén van de meest prominente ruimtes is de grote ziekenzaal. Daar stonden de bedden van de zieken, inclusief rood beddengoed “want dan vielen de bloedvlekken niet zo op”. Deze zaal heeft aan het eind twee openslaande deuren, die toegang geven tot de kerk. Op deze manier konden de patiënten de dienst vanuit hun bed volgen.

Het altaar van de kerk is in barokstijl uitgevoerd. Veel engeltjes en goud dus.

In de lange gangen van het ziekenhuiscomplex, dat 2 verdiepingen telt en een vierkant vormt rondom een binnen tuin, staan vitrines met oude ziekenhuisattributen. Zo zijn er instrumenten en heel veel potjes met dranken en pilletjes. Ook dit komt allemaal wat rommelig en lukraak over – je hebt vaak geen idee waarnaar je staat te kijken of hoe oud het is. Ook irritant is dat er overal waarschuwingsbordjes staan dat je niks mag aanraken, nergens op mag gaan zitten – die boodschap kan wel een stuk subtieler worden overgebracht.

Een groot deel van de ruimtes was in gebruik door de nonnen en hun overste. Er is een kleine bibliotheek met religieuze boeken en een aparte ziekenzaal voor als de nonnen zelf ziek werden.

Net buiten het gebouwencomplex ligt achter een muur een volledig omheinde tuin. Deze tuin ligt nog op de originele locatie en werd door het ziekenhuis gebruikt voor het zelf aanplanten van geneeskrachtige kruiden.

Na zo’n anderhalf uur had ik het allemaal wel gezien en trok ik weer huiswaarts. De kans dat het ooit een ‘echt’ werelderfgoed wordt schat ik niet zo hoog in: er staan al verschillende andere ziekenhuizen op de lijst die van veel groter historisch belang zijn.

Het eiland Skye

Het eiland Skye is het grootste en noordelijkst gelegen eiland van de Binnen-Hebriden, een groep eilanden voor de westkust van Schotland. Ik verbleef er 3 nachten voor de werelderfgoedreizigersmeeting van 2019. Woensdagmiddag vloog ik naar de Schotse stad Inverness, vanaf waar het nog eens 3 uur rijden is om op Skye te geraken.

Al bij aankomst woensdagavond wisten mijn 23 medereizigers en ik dat het hoofddoel van deze trip niet bereikt zou worden: de boottocht naar het afgelegen werelderfgoed St. Kilda was door de bootverhuurder geannuleerd vanwege “de slechtst mogelijke windrichting om te landen”. Het was een bittere pil, alleen al omdat we de kalmste en zonnigste dagen in de geschiedenis van het eiland beleefden.

The Storr

Als alternatief programma voor de eerste dag bedachten mijn medereizigers een wandeling naar The Storr, een steile rotswand. Het is de populairste attractie op het eiland Skye, en toen we er tegen half 10 aankwamen was er eigenlijk al geen legale parkeerplaats meer te vinden. We parkeerden in een weilandje en hoopten dat er geen politie langs zou komen.

The Storr is een gevormd door een aardverschuiving. De wandeling er naar toe is kort (zo’n 2 kilometer) maar steil. Klimmen vanaf de start – net als voor sommige wielrenners is dat niks voor mij. Ik bungelde dus een beetje achteraan het groepje en nestelde me uiteindelijk op een mooi uitkijkpunt net onder de rotspilaar genaamd Old Man of Storr.

De rest, inclusief Zwitserse en Noorse berggeiten, liep nog wat verder door naar boven. Uiteindelijk moesten we allemaal dezelfde weg weer terug. Daarvoor was het eerst nog tijd voor een groepsfoto….

De Noordkust

De volgende ochtend vroeg reed ik in mijn huurauto naar (bijna) het noordelijkste puntje van Skye. De wegen zijn hier zo smal dat je tegenliggers moet passeren via uitwijkhavens. Bij de verhuurbalie op het vliegveld van Inverness lagen zelfs folders ‘Rijden op Skye’ waarop helemaal staat uitgelegd hoe je je moet gedragen op de weg. Maar het wijst zich uiteindelijk vanzelf – alleen voor een bus moest ik een keer een heel stuk achteruit rijden.

De kustlijn hier in het noorden is prachtig. Op de vroege ochtend zag ik ook veel campers en tentjes langs de weg staan – het is hier vrij kamperen.

Er zijn een paar kleine toeristische bezienswaardigheden. De ruïnes van het kasteel van Duntulm bijvoorbeeld. Langs een camper waarvan de bewoners net uit bed stapten liep ik het pad af naar een rotspunt, waarop deze ruïne staat te balanceren. Je mag er niet meer in, het hele gevaarte is te instabiel.

Een paar kilometer verderop ligt een klein openluchtmuseum, het Museum of Island Life. In een aantal stenen huisjes wordt het leven getoond van de inwoners van Skye voordat er een brug met het vasteland was en voordat er zelfs wegen waren.

Cruise vanaf Uig

Mijn hoofddoel van deze tweede dag was een boottocht langs de eilandjes rondom Skye. En meer bijzonder: het zien van papegaaiduikers! Deze zeevogels met felgekleurde snavel komen in de noordelijke gebieden wel vaker voor maar je moet wel in het goede seizoen op de goede plek zijn.

Ik had een cruise van 3 uur geboekt op de Radiant Queen, een omgebouwde vissersboot met ruimte voor 12 gasten. Hij zou vertrekken vanaf de haven van Uig om 11.30 uur. Even zag het er naar uit dat ik weer niet de zee op zou kunnen: het waaide harder dan de afgelopen dagen en de schipper wilde het eerst even aankijken. Dus eerst de haven uit en dan zien of het te doen was op het open water.

Gelukkig viel het allemaal erg mee. Het was nog steeds zonnig en warm, dus vanaf het dek was het plezierig varen langs het schiereiland Trotternish en de eilandjes van de Ascrib archipel. We zagen grote aantallen zeehonden op de strandjes. Sommige met pas geboren jongen.

Wat verder op zee kwamen we nog wat snel wegduikende dolfijnen tegen. En we keken tegen een rotswand aan waar een adelaar zou zitten. Pas later bij het inzoomen van de foto’s zag ik hem zitten.

Gelukkig waren de papegaaiduikers op hun post, bij de Ascrib-eilanden. Ze zwommen in grote getale voor een klif. Dat zwemmen maakte het fotograferen er niet gemakkelijker op: de vogels zijn heel klein en verdwenen regelmatig onder een golf. Door hun grote gekleurde snavel en kleine lichaampjes zijn het grappige beestjes – ze worden ook wel de “clown der zeevogels” genoemd.

Kasteel Dunegan

Op mijn laatste ochtend op Skye reed ik naar het westen, naar het kasteel Dunegan. Voor de openingstijd van 10 uur stond er al een lange rij toeristen te wachten. Entree tot het kasteel en de tuinen is hier een forse 14 pond.

Er stond hier al vanaf de 14de eeuw een kasteel, maar het huidige stamt vooral uit de 19de eeuw. Het was de zetel van de Schotse clan MacLeod. Het vrij kleine interieur van het hoekige gebouw herbergt hun familiestukken.

Met een kwartiertje was ik er wel doorheen, maar ik bleef nog even stil staan bij een vitrine over St. Kilda – het eiland waarvoor ik eigenlijk gekomen was maar waar we door de wind niet konden komen. De MacLeod familie van het kasteel had nauwe banden met St. Kilda: ze hadden het ruim 500 jaar in bezit tot na het vertrek van haar inwoners in 1931.

Nieuw werelderfgoed 2019

De jaarlijkse werelderfgoedvergadering, dit jaar begin juli gehouden in Azerbaijan, heeft me 11 bonuswerelderfgoederen opgeleverd. Plaatsen waar ik al ben geweest voordat ze werelderfgoed werden. Die tellen natuurlijk ook!

Bahrein kreeg er een serie aan grafheuvels bij, zanderige hobbels die ik aan het begin van mijn wereldreis van 2011 bezocht:

Twee Aziatische toppers

In Zuidoost-Azië zijn twee langverwachte toppers tot de Lijst toegelaten: de Vlakte der Kruiken in Laos en Bagan in Myanmar.

De Vlakte der Kruiken bezocht ik tijdens mijn wereldreis van 2011. Je moet er voor naar een uithoek van Laos – 13 uur deed ik er over met de bus vanuit de hoofdstad Vientiane. Maar het is de meest bijzondere plek van dit ongedwongen en rustige landje. De stenen kruiken werden waarschijnlijk gebruikt om mensen in te begraven.

Nog grandiozer is Bagan in Myanmar. Deze tempelstad bezocht ik in 2015 voor een paar dagen. Er is ontzettend veel te zien en je kunt er op je gemak rondfietsen. Het zal ook hier wel elk jaar drukker worden met toeristen.

Om de hoek

Ook wat recente weekendtrips in Europa hebben hun geld opgeleverd: het Ertsgebergte op de grens van Duitsland en Tsjechië bijvoorbeeld. Ik reed er vorig jaar heen rond Koningsdag. Het is een streek van vergane glorie en niet zo’n boeiend werelderfgoed, gewijd aan de resten van de mijnbouw.

En pas afgelopen maand was ik bij de Krzemionki vuursteenmijnen in Polen. Zeker een bezoek waard als je in de buurt bent.

Canada en de Verenigde Staten

Ook dit jaar was Europa weer de grote winnaar, met de meeste nieuwe werelderfgoederen op haar grondgebied. Pogingen om landen die minder goed vertegenwoordigd zijn betere kansen te geven hebben nog steeds geen effect: dit jaar is er bijvoorbeeld maar 1 nieuw werelderfgoed in Afrika bijgekomen.

Noord-Amerika kon tevreden zijn met 2 historisch belangrijke plekken: het provinciale park Writing-on-Stone in Canada, met zijn oude rotstekeningen, …

.. en 8 monumentale gebouwen ontworpen door de architect Frank Lloyd Wright in de Verenigde Staten. Daarvan bezocht ik Fallingwater in Pennsylvania:

Van lang geleden

Voor 3 nieuwe werelderfgoederen moest ik in de oude en deels vergeelde fotoboeken duiken om ‘bewijs’ te voorschijn te toveren dat ik er geweest ben.

Als eerste de Indiase stad Jaipur: het was de eerste stop op mijn rondreis door Noord-India en Nepal in 1993. Destijds een smerige en chaotische stad.

Dan het Braziliaanse kustplaatsje Paratí: hier was ik in 2004.

Nog minder herinneringen dan aan de bovenstaande twee heb ik aan de Dosan Seowon in Zuid-Korea: het is 1 van 9 genomineerde Confuciaanse onderwijsinstellingen die in de 16de eeuw ambtenaren opleidden. Ik was er in 2001 en in mijn dagboek staat ” “Idyllische locatie. Erg stil, slechts een handvol bezoekers. Veel Koreanse filmregisseurs komen hier schijnbaar om traditioneel Koreaanse plaatjes te schieten.”

Kado voor Azerbaijan

Tot slot is het een goed gebruik dat het organiserend land ook een werelderfgoed “krijgt”. Voor organisator Azerbaijan viel dat dit jaar nog niet mee: haar nominatie Sheki had een afwijzend advies gekregen. Andere landen schoten te hulp en betoogden dat de adviesraad het helemaal verkeerd zag. Met succes.

Ik was in 2016 in Sheki en vond het het meest verrassende plekje van het land. Het is maar klein en waarschijnlijk zijn er in Iran wel mooiere paleizen en belangrijkere zijdesteden te vinden, toch is het een grote verrassing wat er hier nog (in soms over-gerenoveerde vorm) staat.